Op deze pagina vindt u het onderzoek dat Kiwa heeft uitgevoerd naar de slagvastheid van datakabels.
Veelgestelde vragen
Er is onderzocht in hoeverre ondergrondse datakabels beschadigd kunnen raken door handmatig voorsteken met een schep/steekbats, in een reproduceerbare lab-opstelling. Het doel van het onderzoek was het bepalen van de fysieke kwetsbaarheid. Het ging dus niet om certificering of productgoedkeuring.
In de praktijk worden datakabels regelmatig beschadigd. Onderdeel van zorgvuldig graven volgens de wettelijke richtlijn, is het handmatig voorsteken. In de graafsector zijn er geluiden dat niet alle kabels tegen dit handmatig voorsteken bestand zijn. Hoewel de RDI vanuit de Wibon toeziet op mechanisch graven, is het de RDI er alles aan gelegen om, samen met de sector, graafschade zo veel mogelijk te voorkomen. Daarom hebben we deze hypothese objectief laten toetsen met een reproduceerbare proefopzet.
Nee. Dit is een praktijksimulatie om de hypothese te toetsen dat ondergrondse datakabels beschadigd kunnen raken door handmatig voorsteken met een schep/steekbats.
Vooraf speelde de algemene aanname uit de Memorie van Toelichting dat handmatig graven met een schop doorgaans onvoldoende kracht zou hebben om schade te veroorzaken en dat het merendeel van kabels/leidingen daartegen bestand is. Daarnaast verwachtte Kiwa op basis van de inventarisatie (2024) dat “direct buried” glasvezelkabels en geblazen glasvezelkabels in losse microducts waarschijnlijk niet bestand zijn tegen de kracht van een schop, en dat beschermende maatregelen de robuustheid vergroten.
De test is uitgevoerd door Kiwa als onafhankelijk test- en onderzoeksinstituut, in opdracht van de RDI. Kiwa voert de metingen en rapportage uit; de RDI is opdrachtgever en verzorgt de publicatie.
Er is gewerkt met een gestandaardiseerde opstelling die een handmatige “steek” nabootst. Kabelmonsters zijn aangebracht in een reproduceerbare bodemsituatie (zand/verdichting) met variatie in afdekking. Schade is beoordeeld op basis van zichtbare beschadiging; waar van toepassing is onderscheid gemaakt tussen gradaties van schade.
In de test is gewerkt met een selectie van verschillende datakabeltypen en constructies, met variatie in zanddek (5 en 15 cm), valhoogte (in de verkennende fase 65 tot 90 cm; daarna 70 cm bij 5 cm zanddek en 80 cm bij 15 cm zanddek, zodat de afstand tot het zanddek gelijk bleef), en impacthoek (meestal circa 17 graden; bij een deel van de metingen 0 graden). Er is gebruikgemaakt van een reproduceerbare valopstelling met een steekbats (aangeleverd door de RDI) en een gestandaardiseerde bodemsituatie met (natgemaakt en verdicht) zilverzand. De instelling is gekalibreerd met praktijktesten door 15 personen (piekwaarden circa 1500 tot 2000 N); na het kantelen naar circa 17 graden kon de kracht niet meer worden gemeten.
Er is getest met een representatieve selectie van gangbare datakabels, met en zonder mantel. In de publicatie focussen we op kabelspecificaties/constructiekenmerken; herleidbaarheid naar individuele netwerkbedrijven laten we weg.
Nee. Het onderzoek gebruikt een gestandaardiseerde referentiesituatie om resultaten vergelijkbaar te maken. De praktijk kent meer variatie (grondsoort, vocht, puin, ligging). De resultaten zijn daarom het best te lezen als: indicatie onder gecontroleerde omstandigheden.
Nee. Het onderzoek richt zich op fysieke beschadiging. Functionele werking (bijv. signaalkwaliteit/demping) is in deze test niet onderzocht.
Het onderzoek geeft een indicatie onder gecontroleerde omstandigheden. Het doet geen uitspraak over alle grondsoorten, alle praktijksituaties of de frequentie waarmee schade in het veld optreedt, en niet over of de kabel nog functioneert.
Uit de testen blijkt dat verschillende dunne datakabels van het type “microduct” of “direct buried” volledig doorgestoken kunnen worden bij handmatig voorsteken. Ook een C6 COAX-kabel is bij 5 cm zanddek doorgestoken. Kabels met extra bescherming en alle multiducts hadden in deze testen slechts oppervlakkige beschadiging. Het rapport benadrukt dat de beoordeling visueel is en dat geen uitspraak wordt gedaan over functionele eigenschappen van de kabels.
Graafschade aan datakabels kan leiden tot storingen en daarmee tot hinder voor gebruikers en klanten. Het onderzoek helpt de sector beter te begrijpen waar kwetsbaarheden kunnen ontstaan, zodat graafschade en uitval van digitale diensten verder kunnen worden teruggedrongen.
Er verandert niets aan de bestaande werkwijze: Klic, zorgvuldig werken en handelen conform CROW 500 blijven leidend. Tegelijk laat het onderzoek zien dat er een praktisch dilemma kan ontstaan: zorgvuldiger dan met de schep voorsteken is in veel situaties nauwelijks werkbaar (archeologisch “met een kwast” is geen realistisch alternatief). Daarom is het belangrijk dat ketenpartijen hierover het gesprek voeren: hoe houden we het werk uitvoerbaar én beperken we het risico op schade, bijvoorbeeld via betere informatie, aanleg/afdekking, extra bescherming/markering en werkafspraken rond kwetsbare netten.
De RDI is toezichthouder op het stelsel rond kabels en leidingen in de ondergrond en graafschadepreventie. De RDI heeft dit onderzoek laten uitvoeren om feitenbasis te versterken en zodoende de sector te ondersteunen bij risicobeheersing en schadepreventie.