In deze nota is uitgewerkt hoe toezicht wordt gehouden als gebruik wordt gemaakt van de calamiteitenprocedure. Ook vindt u hier meer informatie wat onder calamiteit, persoonlijk letsel of grote schade wordt verstaan.

1. Inleiding

De RDI houdt toezicht op de naleving van de wettelijke bepalingen gesteld in de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (hierna: WIBON). In deze wet zijn onder andere zorgvuldigheidsnormen ten aanzien van zorgvuldige graafwerkzaamheden neergelegd. Graafschades aan kabels en leidingen kunnen de continuïteit van levering van essentiële diensten als bijvoorbeeld gas, elektriciteit, water of telecommunicatie ernstig verstoren. Dit veroorzaakt vaak veel overlast bij bedrijven en consumenten. Daarnaast kan door graafschades ook de veiligheid van de omgeving, mens en milieu in het gedrang komen.

De RDI zet in op het voorkomen van (vermijdbare) graafschades zodat de continuïteit van essentiële diensten en de veiligheid van de omgeving, mens en milieu beter is gewaarborgd. Daarmee draagt zij bij aan een ondernemend en duurzaam Nederland.

Ondanks dat de WIBON vrij korte termijnen stelt aan het proces van informatie-uitwisseling kan het in bepaalde situaties gewenst zijn dat er sneller moet worden gewerkt. Te denken valt aan een lekkende waterleiding of een verzakte dijk. In deze situaties is het belangrijk om direct in te grijpen om grote (economische) schade en/of gevaar voor mens of milieu te voorkomen. In geval van dergelijke calamiteiten kan daarom worden afgeweken van de reguliere procedure.

In dit toetsingskader is uitgewerkt hoe getoetst wordt in geval van het gebruik van de calamiteitenprocedure uit de WIBON. Daarbij wordt nader aangegeven wat onder een calamiteit, persoonlijk letsel of grote schade wordt verstaan.

Bij het hanteren van de calamiteitenprocedure beoordeelt de opdrachtgever in eerste instantie zelf of er sprake is van een calamiteit. Dit toetsingskader is hierbij een handvat, maar kan niet in alle gevallen uitsluitsel geven. De RDI toetst in sommige gevallen op de graaflocatie en in de regel achteraf of de calamiteitenprocedure geoorloofd is toegepast.

2. Wettelijk kader

Artikel 28, lid 2 van de WIBON bepaalt dat van de reguliere graafprocedure kan worden afgeweken als gevolg van een calamiteit. Nadere regels zijn in artikel 7 van het Besluit informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Hierna: BIBON) neergelegd. Hier is beschreven hoe gehandeld dient te worden wanneer, als gevolg van een calamiteit, onverwijld graafwerkzaamheden noodzakelijk zijn om persoonlijk letsel of grote schade te voorkomen.

2.1 Artikel 28 WIBON

Artikel 28 lid 2 van de WIBON luidt: Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de situatie dat vanwege de door een calamiteit geboden spoed niet aan artikel 2, eerste en derde lid kan worden voldaan dan wel de in hoofdstuk 4 beschreven procedure kan worden gevolgd, waarbij voor zover nodig van dat artikel onderscheidenlijk de bepalingen van dat hoofdstuk kan worden afgeweken.

2.2 Artikel 7 WIBON

Artikel 7 van de WIBON luidt: Indien als gevolg van een calamiteit onverwijld graafwerkzaamheden noodzakelijk zijn om persoonlijk letsel of grote schade te voorkomen, zijn de artikelen 2, 8 en 15 van de wet niet van toepassing.

Indien graafwerkzaamheden worden verricht als bedoeld in het eerste lid, draagt de opdrachtgever er zorg voor dat deze graafwerkzaamheden zo veel mogelijk op zorgvuldige wijze kunnen worden verricht, rekening houdend met de urgentie van de werkzaamheden.

De grondroerder verricht de in het eerste lid bedoelde graafwerkzaamheden op zorgvuldige wijze, rekening houdend met de urgentie van de werkzaamheden.

De grondroerder stelt voorafgaand aan de in het eerste lid bedoelde graafwerkzaamheden de Dienst daarvan in kennis, waarna de Dienst onverwijld de contactgegevens van de beheerders van netten die op de graaflocatie zijn gelegen en informatie over de functie van deze netten aan de grondroerder verstrekt. De Dienst draagt in verband hiermee zorg voor permanente bereikbaarheid van de Dienst. De Dienst kan de uitvoering van het vierde lid opdragen aan een instelling die permanent bereikbaar is.

De grondroerder wint voor zover mogelijk bij de beheerders van netten die zijn gelegen op de graaflocatie, informatie in over de precieze ligging van netten op de graaflocatie. De grondroerder neemt in elk geval contact op met de beheerders van een net met gevaarlijke inhoud dat op de graaflocatie is gelegen.

De beheerder van een net met gevaarlijke inhoud zorgt dat hij met het oog op de uitvoering van het zesde lid permanent telefonisch bereikbaar is voor het verschaffen van informatie en het treffen van voorzorgsmaatregelen voor zover dat nodig en mogelijk is.

De opdrachtgever meldt onder opgaaf van reden en uiterlijk de eerstvolgende werkdag bij Onze Minister indien hij opdracht heeft gegeven tot graafwerkzaamheden als bedoeld in het eerste lid.

3. Toetsingskader artikel 7 WIBON

3.1 Algemeen

Met dit document geeft de RDI invulling aan de wijze waarop wordt getoetst bij het gebruik van een calamiteitenmelding (op basis van artikel 7 van de WIBON).

Belangrijke uitgangspunten hierbij zijn:

  • Calamiteiten waarbij mechanisch gegraven moet worden, worden gemeld bij het Kadaster. De meldingsplicht geldt immers voor alle mechanische graafwerkzaamheden.
  • Bij netten met gevaarlijke inhoud neemt de grondroerder altijd contact op met de beheerder van dat net. De door de beheerder van dat net voorgeschreven (voorzorg)maatregelen moeten door de grondroerder worden opgevolgd en uitgevoerd.
  • Bij geconstateerd misbruik van de calamiteitenprocedure treedt de RDI handhavend op.
  • Dit toetsingskader voorziet niet in een beperkende definitie van het begrip calamiteit. In voorkomende gevallen is het aan de opdrachtgever om te besluiten tot het doen van een calamiteitenmelding.
  • Toetsing vindt op de graaflocatie en/of achteraf plaats.
  • De wettelijke informatie naar de melder is beperkt tot de contactgegevens van de beheerders met een belang op de locatie van de calamiteit. In de meeste gevallen wordt echter de volledige gebiedsinformatie, vergelijkbaar met een reguliere graafmelding, verstrekt.
  • De beheerders van netten op de locatie van de calamiteit ontvangen een afschrift van de calamiteitenmelding. Vooral de wetenschap of er al dan niet netten met gevaarlijke inhoud aanwezig zijn op de graaflocatie en de dan te nemen (voorzorg)maatregelen dragen bij aan de veiligheid van zowel de grondroerder als de (leef)omgeving.

3.2 Toetsingskader

Altijd vooraf een melding bij het Kadaster

Net als bij geplande, reguliere graafwerkzaamheden spreekt het voor zich dat ook in geval van calamiteiten de graafwerkzaamheden zorgvuldig moeten worden uitgevoerd. Er moet daarom altijd een melding bij het Kadaster worden gedaan wanneer er mechanisch wordt gegraven (artikel 7, vierde lid, van de WIBON). Het Kadaster is voor calamiteitenmeldingen 7 dagen per week, 24 uur per dag bereikbaar. Hierin verschilt de calamiteitenprocedure dus niet van de reguliere graafmelding.

De opdrachtgever zorgt ervoor dat de graafwerkzaamheden op zorgvuldige wijze kunnen worden verricht. Rekening houdend met de urgentie van de situatie stelt de opdrachtgever middelen beschikbaar om de graafwerkzaamheden zo zorgvuldig mogelijk uit te kunnen voeren.

De grondroerder verricht de graafwerkzaamheden op zorgvuldige wijze. Dit betekent dat hij rekening houdt met de functie van de netten die op de graaflocatie aanwezig zijn. Hij treedt direct in overleg met beheerders van netten met gevaarlijke inhoud van wie hij de contactgegevens via het Kadaster heeft ontvangen. Beheerders van netten met gevaarlijke inhoud zijn hiervoor 24 uur per dag bereikbaar.

Ten aanzien van de ligging van de netten op de graaflocatie geldt het volgende:

  • In situaties waarin de grondroerder al beschikt over actueel kaartmateriaal, wordt hiermee gewerkt.
  • Wanneer uitsluitend handmatig wordt gegraven, is een calamiteitenmelding niet nodig.

Treffen van voorzorgsmaatregelen

Als op de graaflocatie netten met gevaarlijke inhoud aanwezig zijn, moet de grondroerder contact opnemen met de beheerder van dat net (artikel 7, zesde lid, van de WIBON). Tijdens dat contact worden afspraken gemaakt over de te nemen (voorzorgs)maatregelen, voor zover dat nodig en mogelijk is.

De grondroerder moet de door de beheerder van dat net voorgeschreven (voorzorgs)maatregelen opvolgen en uitvoeren.

Rampen en zware ongevallen

Bij het toepassen van de calamiteitenprocedure tijdens rampen of zware ongevallen wordt getoetst aan de definitie van rampen uit artikel 1 van de Wet veiligheidsregio's. Toepassing van de calamiteitenprocedure is aan de orde voor situaties waarin al een ramp of zwaar ongeval heeft plaatsgevonden of waarin sprake is van een dreiging van een ramp of zwaar ongeval.

Milieuwetgeving

Vaak zijn in de vergunning die voor een bepaalde installatie is afgegeven voorwaarden opgenomen die direct ingrijpen voorschrijven. Deze voorschriften zijn dan het uitgangspunt. De vergunningen zijn gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Leveringsonderbrekingen

De verplichting van beheerders om storingen binnen een kort tijdsbestek te verhelpen is impliciet vastgelegd in:

  • de Elektriciteitswet 1998, artikel 31, eerste lid, onderdeel f;
  • de Gaswet, artikel 12b, derde lid, onderdelen b en d;
  • de Drinkwaterwet, artikelen 35 en 38, onder a;
  • de Telecommunicatiewet, artikelen 11a.1 en 7.1a.

Graafwerkzaamheden voor het herstellen van leveringsonderbrekingen in netwerken die onder deze wetgeving vallen kunnen worden aangemerkt als calamiteit in de zin van de WIBON. Het gebruik van de calamiteitenprocedure dient in redelijkheid te worden afgewogen door de beheerder van het verstoorde netwerk. Bij overige netwerken is de verplichting storingen binnen een kort tijdsbestek te verhelpen niet in wet-of regelgeving opgenomen. De toelichting uit het besluit vormt hier het toetsingskader: 

…Verder gelden blijkens het eerste lid als randvoorwaarden voor de toepassing van de onderhavige regels dat als gevolg van de calamiteit persoonlijk letsel of grote schade dreigt te worden veroorzaakt, en dat de graafwerkzaamheden noodzakelijk zijn om deze dreiging weg te nemen. Derhalve is niet bij elke storing toepassing van dit artikel gerechtvaardigd. Er moet zich een situatie voordoen waarbij als gevolg van het doorlopen van de gewone meldingsprocedure grote schade en / of persoonlijk letsel zou ontstaan, die door direct optreden kan worden voorkomen….

3.3 Tabel Toetsingskader

Een overzicht van dit toetsingskader staat in de volgende tabel:

SituatieLeveringsonderbrekingenPersoonlijk letsel (inclusief dreiging)Grote schade (inclusief dreiging)
Energie Elektriciteit (inclusief warmtelevering)Ja; Elektriciteitswet 1998JaJa
Energie GasJa; GaswetJaJa
Telecommunicatie (telecom en kabel)Ja; TelecommunicatiewetJaJa
WaterleidingJa; DrinkwaterwetJaJa
Industriële transportleidingNeeJaJa
RioleringNeeJaJa
Openbare verlichting verkeerslichtinstallatiesNeeJaJa
Overige netwerken en situatiesNeeJaJa

4. Toezicht

De toetsing van de RDI is erop gericht om na te gaan of rechtmatig gebruik is gemaakt van de calamiteitenprocedure. Zorgvuldig graven wordt immers het beste gewaarborgd bij het gebruik van de reguliere procedure uit de WIBON. Het gebruik van de calamiteitenprocedure is en blijft een uitzonderingssituatie.

4.1 Verantwoord gebruik calamiteitenprocedure

Iedere opdrachtgever van graafwerkzaamheden waarvoor een calamiteitenmelding is gedaan, verantwoordt zich de eerstvolgende werkdag bij de RDI. U gebruikt hiervoor het webformulier Melden en afmelden calamiteit graafwerkzaamheden. De opdrachtgever geeft hierbij in ieder geval informatie over het tijdstip van de calamiteitenmelding en het tijdstip van de feitelijke graafwerkzaamheden. Ook geeft de opdrachtgever informatie over de omvang van de calamiteit. Indicatoren hiervoor zijn het aantal getroffen aansluitingen, de concrete dreiging van persoonlijk letsel en de geschatte omvang van de schade (bijvoorbeeld economische schade of milieuschade) of de dreiging hiervan.

Na het indienen van de terugmelding vindt een automatische controle plaats op basis van procesinformatie van het Kadaster. Dit toetsingskader vormt daarbij het uitgangspunt.